| De
armslag
De armbeweging draagt in grote mate bij aan de
snelheid waarmee gezwommen wordt:
- Er kan veel kracht ingebracht worden, doordat
met twee armen tegelijk wordt doorgehaald
- De doorhaal is een lange beweging, van ver
voor tot vlak bij de heup
- De stuwvlakken kunnen gunstig geplaatst
worden; vergelijkbaar met de doorhaal van de borstcrawlarmbeweging
- De doorhaal wordt gelijktijdig met beide armen
gemaakt, waardoor afwijkingen van de rechte (zwem-) lijn niet
gemakkelijk ontstaan
- De overhaal vindt over het water plaats,
waardoor er weinig weerstand wordt ondervonden.
De armslag is in een aantal fases in te delen:
- Insteekfase
- (Korte) glijfase
- Trekfase
- Duwfase
- Uithaal
- Overhaal van de armen.
 |
Inzet
Glijfase
Trekfase
Schouderas
Duwfase naar uithaal.
|
Onderaanzicht van een zwemmer. De onderwaterfasen
van de slag zijn weergegeven.
De inzet of de insteek vindt plaats op
schouderbreedte of iets daarbuiten.
Evenals bij de borstcrawl worden de armen ingezet op ¾ van hun totale
lengte, waarbij de pink omhoog gericht is. Het raken van de waterspiegel
is passief, maar het inzetten van een bepaalde houding een actief proces
is. De ellebogen zijn hoog.
De glijfase dient evenals bij de andere
zwemslagen voor het kiezen van de juiste positie van de stuwvlakken (lees:
handen). Dit is het moment dat de handen het begin zoeken van de
contactbaan en bovendien wordt er op dit moment het diepen van de
schouders iets ingezet.
Direct hierna begint de trekfase, waarin de
eerste beweging iets zijwaarts naar buiten gericht is, met andere woorden
van de schouderlijn af. Tijdens het verloop van de trekfase worden de
armen steeds meer gebogen in de ellebogen en bovendien is de
bewegingsrichting naar binnen naar de mediaanlijn. (De middenlijn van het
lichaam). Aan het einde van de trekfase staan de stuwvlakken (armen en
handen) loodrecht op de bewegingsrichting en is er een hoek van ongeveer
90 graden in de ellebogen en bevinden de handen zich onder de schouders.
Dit komt allemaal overeen met de borstcrawl.
Op dit moment zal de trekfase overgaan in de
duwfase. In de duwfase zal de elleboog, identiek als bij de borstcrawl,
langzamerhand gestrekt worden. De beweging is naar achteren gericht. Hier
zal aan het eind van de beweging een versnelling plaatsvinden. De armen
zullen nooit geheel gestrekt zijn.
De ellebogen zullen het water al verlaten hebben
als de handen het laatste deel van de duwfase beëindigen. De handen
zullen langs de heupen het water verlaten, nadat ze het laatste deel van
de contactbaan naar achteren (ten opzichte van de zwemrichting) hebben
voltooid. De handpalmen zijn naar achteren gericht, (door de versnelling
in de duwfase) waarna snel de handrug naar het water wordt gedraaid.
De armoverhaal (ook wel de contrafase genoemd)
vindt plaats met nagenoeg rechte, ontspannen armen. Een lichte buiging in
de ellebogen komt deze ontspanning ten goede. Het is een wijde, vlakke
overhaal. Ter hoogte van de schouderas zal de draaiing worden doorgezet,
zodat de handpalm naar het water wordt gekeerd.
Het hoofd is al in het water voordat de armen worden ingezet.
Overhaal of de contrafase:
 |
De
armen zijn vrijwel recht met een lichte buiging in de ellebogen.
De handpalmen draaien tijdens de
overhaal weer naar het wateroppervlak.
Het hoofd zet de beweging in, met andere woorden: het hoofd is
te water voordat de armen worden ingezet
|
|