| De
armslag
De armen dragen verreweg
het meest bij aan de verplaatsing. Deze verplaatsing moet zo gelijkmatig
mogelijk plaatsvinden. Evenals de borstcrawl is de rugcrawl een continue
slag.
We kunnen de beweging van
de armen onderverdelen in de Overhaal (A) en Doorhaal
(B). Daarnaast kunnen we (B) de doorhaal, weer onderverdelen in:
- Insteek/inzet
- Glijfase
- Trekfase
- Duwfase
- Uithaal
De overhaal vindt plaats in
het verticale vlak, waarbij de arm gestrekt gehouden wordt. De reden
waarom de overhaal in het verticale vlak plaatsvindt is omdat daarmee
ongewenste rotaties voorkomen worden. Zo blijft de armoverhaal, qua
richting, binnen de lijn van de verplaatsing. Nadat de hand "met de
duim als eerste" uit het water is gekomen, draait deze tijdens de
overhaal zodanig, dat de pink het eerst het water weer in gaat.
De inzet van de armen vindt
plaats op schouderbreedte, dat wil zeggen boven de schouders, zoveel
mogelijk in een rechte lijn vanaf de schouder waarvan de arm de hand
inzet. De hand wordt ingezet met de pink naar beneden en de duim naar
boven gericht. Bovendien is er een lichte hoek te onderscheiden tussen de
onderarm en de hand, waarbij de hand meer naar buiten is gericht dan de
onderarm. De schouder blijft zo hoog mogelijk, zodat deze niet door het water heen
gehaald hoeft te worden.

De armbeweging stopt niet
bij de inzet, maar gaat gestrekt door tot een diepte van ongeveer 30 cm.
Dit gedeelte kan de glijfase genoemd worden. Dit is ook het moment waarop
de stuwvlakken in de juiste positie voor de daarop volgende stuwfase
worden gezet. De polsen buigen, zodat de handpalmen (de voornaamste
stuwvlakken) zo snel mogelijk gunstig op de bewegingsrichting komen te
staan. Als gevolg van een bepaalde houding van de hand is het mogelijk een
bepaald profiel te laten ontstaan, waardoor de hand kan worden
"vastgezet" in het water waaraan het lichaam wordt
voortgetrokken.
De trekfase vangt aan op
het moment dat de hand en de onderarm tegengesteld aan de zwemrichting de
stuwing inzetten. Ook hier leidt de hand de beweging en wordt de bovenarm
bij het begin van de trekfase geëndoroteerd (=naar buiten draaien).
Tijdens het verloop van de trekfase wordt de arm in de elleboog meer en
meer gebogen waarbij de elleboog in het horizontale vlak lager blijft dan
de arm. (Zie tekeningen). De buiging in de arm is het grootst wanneer de
schouder door de hand gepasseerd wordt. Het voordeel van die buiging is
dat er veel meer kracht geleverd kan worden en dat de beweging dichter bij
het lichaam gemaakt kan worden. De hoek is dan ongeveer 90 graden. De hand
zal tijdens het verloop van de trekfase meer naar het wateroppervlak
komen.
Wanneer we doorduwen naar
de heupen en de armen zich strekken komen we bij de duwfase. Tijdens de
gehele doorhaal proberen we de elleboog naar de bodem te laten wijzen.
Tijdens de duwfase zal de elleboog van 90 graden naar 180 graden verlopen.
Dit houdt in dat de arm zich geleidelijk aan zal strekken. Door deze
strekking komt de hand dieper in het water te liggen.
Aan het einde van de duwfase treedt er een versnelde beweging naar beneden
plaats: dit wordt ook wel de Buggy Whip genoemd. Het gevolg van deze
beweging is dat de reactie op het lichaam opwaarts gericht is, waardoor de
schouder aan dezelfde lichaamshelft uit het water zal komen waardoor de
overhaal van deze arm gemakkelijker zal verlopen.

De doorhaal eindigt op een
diepte van ongeveer 45 cm. Hier begint de ontspanning van de arm. Door de
hand "uit te ronden" dat wil zeggen te draaien met de duim
omhoog, kan de overhaal ingezet worden als de hand door het wateroppervlak
gaat.
We zien tijdens het zwemmen van de rugcrawl een voortdurend draaien van de
schouders om de lengte-as. Dit "rollen" is een normale zaak; het
is nodig om een goede doorhaal te kunnen maken. Dit vindt in een bepaald
regelmaat plaats. Voor de rugcrawl is een soepel schoudergewricht een
vereiste.
De armen bewegen recht tegen over elkaar. Als de ene arm doorhaalt, haalt
gelijktijdig de andere arm over. De armen blijven op dezelfde afstand van
elkaar.
|