Nieuwsbulletin


Plonzen & Spatters


Talent

Talent: oud Grieks of joods gewicht of geldwaarde; begaafdheid (Kramers geïllustreerd Nederlands Woordenboek)

Talenten hebben is altijd al gemakkelijk geweest. In de oudheid zat je met veel talenten goed in de slappe was, maar ook in onze huidige maatschappij is het handig wanneer je over talenten beschikt. Talenten hebben tegenwoordig ook geldwaardes, al zijn deze vaak heel verschillend.
Het je talent voor voetbal, dan kun je aardig binnenlopen. Maar ook talenten in bijvoorbeeld zingen, pianospelen of acteren, kunnen je verzekeren van een mooie toekomst. Bij het zwemmen kun je tegenwoordig ook al aardig binnenlopen wanneer je talenten hebt, al is het hier maar een kleine selectieve groep waarvoor dat weggelegd is.
Maar het is tegenwoordig toch zo: als je ergens talent voor hebt kun je er geld (talenten) mee verdienen.
Ouders die hun kinderen tegenwoordig aanmelden bij muzieklessen en sportverenigingen hopen dan ook dat hun kinderen er goed in zijn, dat ze er niet alleen plezier in hebben, maar dat ze er wellicht ook nog een goede toekomst aan overhouden. Hoe hoog de verwachtingen soms ook zijn, uiteindelijk moet je wel afwachten wat er allemaal van terecht komt.
Wat hadden de ouders van Japie Stam voor ideeën toen ze hun zoontje voor het eerst naar de training van de F’jes van DOSK brachten? Die verwachtingen hebben vast een stuk lager gelegen dan het uiteindelijke resultaat. Dat Japie via DOS, in Zwolle, Leeuwarden, Tilburg, Eindhoven, Manchester, Rome, Milaan en Amsterdam heel veel succes zou hebben en dus geld zou verdienen. Wie dat de familie Stam een goede dertig jaar geleden voorspeld zou hebben zou door hen meteen naar de dokter worden doorverwezen.
Maar de praktijk heeft geleerd: een dosis talent, maar nog belangrijker: een flink portie doorzettingsvermogen kunnen leiden tot een prachtige sportcarrière.

Ook uw stukkiesschrijver werd door zijn ouders al snel aangemeld bij plaatselijke sportverenigingen. In die tijd, de beginjaren 60 draaide het in de sport nog niet zo veel om geld, dus illusies dat uw stukkiesschrijver door sportbeoefening zijn geld zou verdienen of zijn toekomst zou veiligstellen, die hadden zij nog niet. Een beetje profvoetballer hield er met wat geluk een sigarenzaakje aan over, een wielrenner verdiende ook nog wel wat, maar de overige sporten leverden nog niets anders op dan eer en eeuwige roem.

De eerste sportactiviteiten van ondergetekende speelden zich af op Seveningen, zwemles onder leiding van Andries Strieker, dat kan ook niet anders want mijn generatie en die ervoor en erna hebben in Kampen allen zwemmen geleerd van dhr Strieker, die later ook nog bekend ( maar niet rijk ) zou worden als zwemtrainer. Na twee zomers zwemlessen in het openluchtbad op Seveningen, zat het er met het zwemmen voorlopig op. Een zwemclub was er nog niet, maar wel hadden we jaarlijks een zwemabonnement op Seveningen, waar ik vanaf begin mei (brrrr 17 graden) tot half september te vinden was.

Wel werd ik lid van andere sportverenigingen, ten eerste bij voetbalvereniging KHC, dat toen nog op het sportpark Seveningen tegenover het zwembad voetbalde. Nu was voetballen een groot woord voor de activiteiten die ik daar ontplooide. Terwijl aan de ene kant van het veld 21 jongentjes krioelden om de bal, daar zat ik ergens anders op het veld de bloemetjes te plukken. En kwam de bal per ongeluk toch eens mijn richting uit, dan was een welgemikte schop in het luchtledige meestal het resultaat. Nee, voetbaltalent dat had uw stukkiesschrijver niet teveel. 
Toch ben ik jarenlang blijven voetballen. Altijd in de laagste jeugdelftallen, die meestal heel tevreden waren met een 1-6 nederlaag, dan viel de score weer mee die zaterdag. Als 18 jarige naar de senioren, waar ik heel optimistisch in het 3e werd ingedeeld. Na enkele wedstrijden volgde er een transfer naar het 6e, jawel het veteranenelftal. Bij die veteranen werkte het net zo als tegenwoordig bij Deltasteur 3. De als jonge jongen leerde ik daar een beetje voetballen, maar vooral drinken. Mijn ouders hebben nog wel geprobeerd om er iets van te maken, het voetballen dat niks, maar ik mocht er wel mee doorgaan.

Een tweede sport erbij dan maar. Gymnastiek bij THOR (tot heil onzer ribbenkast). Lenig ben ik helaas nooit geweest, daarnaast heb ik ook nog last van hoogtevrees en evenwichtsproblemen, dus het einde van de turncarrière kwam spoedig.

Judo was door de successen van Anton Geesink ook heel populair in mijn jonge jaren. Werkelijk iedereen zat op judo, bij Jetze van Dijk. Ik was van nature altijd een beetje lief, een bij judo slechte eigenschap. Als je bang bent een ander pijn te doen, ja dan krijg je het meestal zelf. 
Toch ben ik nog toegekomen aan het meedoen aan wedstrijden. We moesten naar Deventer waar ik voor het eerst in het strijdperk trad. De beginkreet van de scheidsrechter, en jawel op de tegenstander af: die greep me bij de revers van het judojasje en voerde een perfecte sutemi (ik hoop dat ik het goed schrijf) uit. Bij een sutemi pak je de tegenstander bij zijn jasje, plant je voet op zijn borstkas, maak je een soort van koprol achterover en smijt je daarbij je tegenstander over je heen. Ik kan u vertellen: dit was een perfecte sutemi, goed voor een ippon, en de kenner weet dan: einde wedstrijd. Wel wat vervelend na twee seconden. 
Gelukkig won in nog wel een potje in de herkansing, door verwurging, maar werd in de volgende ronde na een wel wat langduriger partij uitgeschakeld. Judo, leuke sport, maar helaas niet al te veel talenten beschikte ik ervoor.

Wat ikzelf ook machtig mooi vond was wielrennen: ik keek alle etappes van de Tour die toen (in samenvatting, rechtstreeks was er nog niet) werden uitgezonden. Dat was in de zomer, waar je de etappes rechtstreeks op een klein transistorradiootje volgde. Als je dan op weg naar huis de sluis naar beneden fietste, ja dan ging je lekker hard en voelde je je net Jan Janssen. 
Helaas liet bij een van die afdalingen mijn stuurmanskunsten mij in de steek en leek ik op dat moment iets meer op Wim van Est, de berm in en de dijk naar beneden de sloot in. Mijn ouders stimuleerden mij sportieve activiteiten, maar wielrennen; nee toch maar niet.

Toen ik een jaar of 15 was kwam er dan eindelijk een overdekt bad in Kampen. In de winter zwommen we wel eens een keer of wat in het Stilo in Zwolle, want zwemmen dat vond ik machtig mooi, en nu kon dat dus eindelijk gewoon hier, dichtbij. Er werd ook een zwemvereniging opgericht, en daar werden mijn broer Rein, en ikzelf lid van. 
Na een paar trainingen onder leiding van de heren Weijland en Strieker werd ik uitgenodigd om in de selectie te gaan zwemmen. Selectie? IK? Die jongen die nergens talent voor had, niet voor voetbal, turnen, judo en trompetspelen (jawel ook nog een blauwe maandag lid geweest van het KTK tot mijn familie stapelgek werd van het valse getoeter) Man wat was ik trots, ik zat in de selectie, mocht wedstrijden zwemmen en heel veel gaan trainen. Om zes uur ’s morgens in het zwembad onder leiding van Margriet Nijhuis (jawel, ook toen al) en met o.a. Gerrie Metselaar en Berry Hofsink als mede selectiezwemmers. 
Later bleek dat ik voor zwemmen ook niet echt heel veel talent had, iedereen die heen en weer kon zwemmen en dat ook nog een beetje vol kon houden (conditie had ik wel door al die sportieve activiteiten) die zat in de selectie. Na enkele jaren werden we al ingehaald door de jongere generaties. 
Ook toen was al het motto: (bijna) uitgezwommen in de selectie, op naar waterpolo! En dat deed ik dan ook maar.

Spelen in het tweede, waarbij we in de beginjaren ook nog tegen de veteranen van het derde moesten spelen. Man wat waren ze vervelend, die oudjes, ik wist zeker, als ik net zo gemeen, beroerd en traag zou worden als die oudjes dan zou ik er meteen mee stoppen. Talent als waterpoloër had ik ook niet zoveel, wel doorzettingsvermogen. 
Ik deed mijn best om het eerste te halen, en op enig moment kwam er een uitnodiging. Ik zat in militaire dienst in Nunspeet en moest op een doordeweekse avond met het eerste mee naar Putten, om daar in het bosbad (buiten, dat had je toen nog) te spelen tegen Triton. Op weg naar huis nam ik om maar op tijd te zijn overal met mij brommer de binnenbochtjes. Op de Venendijk, bijna thuis, dook plotseling een auto op. Salto, gelukkig niet Mortale, voor Jopie, en de Suzuki een meter ingekort. TT coureur zou ik ook nooit worden. 
Dat debuut kwam er echter wel een seizoen later. En zo speelde ik zelfs enkele seizoenen in het eerste, iets wat mij in andere sporten nooit gelukt was, waar ik altijd in de laagste regionen te vinden was. Al snel kwam ik erachter dat spelen net boven je niveau, al is dat dan wel in het 1e, ook niet alles is en ben ik op eigen aangeven ook teruggegaan naar het tweede, daar hoorde ik thuis en heb er vele jaren met veel plezier in gespeeld.
Na een kort uitstapje terug naar het voetballen (bij Go-ahead, u raad het al, in het 6e) kwam ik uiteindelijk in het 3e terecht, waar ik nog tot lengte van dagen in hoop te spelen. En dat die jonge tegenstanders ons gemeen, traag en beroerd om tegen te spelen vinden? Dan hadden ze maar meer talent moeten hebben, en hogerop moeten spelen.