Nieuwsbulletin


Plonzen & Spatters


Keepers

Voetbal, handbal, (ijs)hockey en ook onze favoriete sport, waterpolo, kent de noodzakelijkheid van het hebben van een doelverdediger, ook wel keeper genoemd. Deze sporten hebben een overeenkomst, nl. het feit dat er een doel verdedigd moet worden, dit doel heeft afmetingen die het noodzakelijk maken dat het door een apart persoon verdedigd moet worden, voor die persoon gelden over het algemeen afwijkende spelregels, hij mag meer, of andere dingen doen dan de overige spelers, veldspelers genaamd.
Het feit dat zo’n keeper andere regels heeft dan de overige spelers geeft de man of vrouw in kwestie vaak ook een aparte status in het team. Hij moet juist goed kunnen, wat anderen niet kunnen, en hoeft andere zaken die voor de veldspelers heel belangrijk zijn, niet bijzonder goed te beheersen. Die aparte status van de doelman heeft over het algemeen een bijzonderheid, namelijk het feit dat deze plek wordt ingenomen door een bijzondere persoonlijkheid. De keeper is altijd een buitenbeentje, iemand die zich niet alleen door zijn plek in het team, maar ook door zijn persoonlijkheid onderscheid van zijn teamgenoten. De meeste komen per ongeluk in het doel terecht, er zijn maar weinig mensen die aan een sport beginnen met de gedachte: ik wordt keeper. Vaak begint het met een gebrek aan talent voor het veldspel, je loopt iedereen in de weg in het veld en levert er geen enkele nuttige bijdrage.  Er moest nog iemand gevonden worden voor in het doel dus de keuze is snel gemaakt. Is het daar ook niets: dan rest de reservebank, je wordt grensrechter of probeert het (met meestal ongunstig resultaat) in een andere tak van sport.
Sommigen komen echter in het doel terecht en komen tot de ontdekking van hun leven: hé, eindelijk ben ik ook ergens goed in, ik heb geen verstand van doorsteekpasjes, een-twee combinaties of andere ingewikkelde dingen, maar dat balletje tegenhouden, dat kan ik prima. Dat zijn dus die bijzondere types, die mensen die anders zijn dan de anderen. Je moet er ook wel een beetje gek voor zijn, om zo’n doel te willen verdedigen. 
Bij voetbal komen de aanvallers als gekken op je inlopen, supporters gebruiken je als mikpunt van hun frustraties, gooien dingen naar je, beledigen je of in het ergste geval spugen ze naar je. Het veld is blubberig of keihard en daar mag jij dan op duiken, nee normale mensen doen zoiets niet.
Een (ijs) hockey doelman moet zich helemaal met beschermend materiaal inpakken, onderscheid zich dus des te meer van zijn medespelers, en hij krijgt pucks of keiharde ballen met verschrikkelijke snelheden op zich afgevuurd. En als je dan al eens een redding verricht, mag je de bal of puck niet eens vasthouden, met het gevolg dat de aanvallers met een stuk hout in de handen op je af mogen komen om nogmaals dat ding op je af te rossen. Lijkt me helemaal niks: hockeykeeper, daar moet je dus helemaal gestoord voor zijn om dat leuk te vinden.
Handbal lijkt het meest op waterpolo op het droge. De veldspelers zijn geen watjes en pakken elkaar over het algemeen stevig aan. Als je van handbal een samenvatting op Studio Sport ziet, dan denk je dat die keepers nooit eens een bal tegenhouden. Die uitslagen zijn altijd 32-27 of zoiets. Zie je ze wel een keer een bal stoppen, dan krijgen ze ‘m over het algemeen op een plek, waar je ‘m net niet hebben wilt, recht op je gezicht of midden in je kruis. Om handbalkeeper te worden moet je een masochistische instelling hebben, en niet wakker liggen van een doelpuntje meer of minder tegen. Je moet er dus echt een tic voor hebben.
Ook bij ons, in het waterpolo, zijn de keepers vaak de buitenbeentjes, de bijzondere figuren. Vaak hebben ze een hekel aan zwemmen. Ze hebben geen hekel aan het water, maar wel aan het zich voortbewegen in deze substantie. In zo’n doel lig je lekker te dobberen, en als het even meezit heb je niet veel te doen. Waterpolokeepers zijn dan ook een beetje lui. Ploft een bal tussen de midachter en de keeper, dan krijgt de midachter steevast een blik van: “Pak jij die bal maar, want ik doe het zeker niet” Pas wanneer je als midachter blijft weigeren om die extra meters achteruit te maken, is de keeper in beweging te krijgen.
Toch komen ze er niet onderuit, en moeten ze per wedstrijd ook enkele malen in actie komen. Wanneer de tegenstanders met overmacht aan komen denderen en met ziedende schoten de keepers kansloos laten, moeten verdedigers en andere teamleden het meestal verbaal ontgelden. Het doelpunt lag altijd aan hen en nooit aan de keeper. Wanneer de ballen wel gestopt worden, dan is er steevast de triomfantelijke blik naar het toekijkende publiek zo van: dat deed ik toch maar eventjes heel mooi. Dat wordt helemaal erg als de zogenaamde een tegen een situatie in het voordeel van de keeper beslecht wordt, de trots en de ijdelheid straalt dan van die man af. Vaak wordt zo’n actie dan weer gevolgd door een tegentreffer, die door medespelers als blunder omschreven wordt, maar die door de doelman weer ontstond uit fout dekken of zoiets.
Het grootste gevaar dat een waterpolokeeper loopt wordt veroorzaakt door het gebrek aan accuratesse van de aanvallers. Je hebt van die aanvallers die hard kunnen gooien, maar helaas niet mikken. Ze komen aanzwemmen en pakken de bal op: de keeper bereid zich voor op het schot en komt met weid gespreide armen hoog boven het water uit, je moet immers zo veel mogelijk doeloppervlakte beschermen. Die aanvaller is al een beetje zenuwachtig, ziet een rode vlek op het water en denkt: “10 centimeter daarboven schieten en hij zit” En dat is nou net het probleem, die 10 cm die halen ze niet, het is meestal een centimetertje of 15 lager, daar waar de neus van de keeper zich bevind. Waterpolokeepers met een mooie, rechte, ongeschonden neus, die vind je dus niet.
Een waterpolokeeper heeft dus een grote overeenkomst met al die andere doelmannen, je moet een beetje gek, of tenminste prettig gestoord zijn om het op te kunnen brengen. Bij onze club lopen, en liepen er ook altijd een paar van die figuren rond.
Nick is een bijzonder type, dat kan toch niemand ontkennen, kleurloos kun je hem zeker niet noemen. 
Berry is een keeper, die eigenlijk geen keeper was. Gewoon per ongeluk in het doel terechtgekomen omdat er geen andere beschikbaar was. Berry is eigenlijk coach. Als coach geef je de spelers altijd kritiek bij de tegendoelpunten, en dat werkt bij Berry dus dubbelop. Daar worden zijn medespelers wel eens gek van, maar niet gek genoeg om dan zelf maar te gaan keepen. Toch is Berry sinds kort, geen keeper meer, de aspiranten doelman stroomde door naar heren 2 en verloste Berry van deze taak. Zijn vervanger komt uit een bijzondere familie, de waterpolofamilie Piest, dus daar zullen we nog wel veel van gaan horen.
In heren drie hadden we jarenlang ook een bijzondere keeper, ook onze Anthon was zeker niet kleurloos. Hij kon niet tegen zijn verlies, en je kon hem het beste motiveren door mede te delen dat we die dag volstrekt kansloos zouden zijn, vanwege de sterkte van de tegenpartij.
Nu hebben we Ulco, die loopt op woensdag met de middelvinger in een spalk, souveniertje van de vorige wedstrijd, maar op zaterdag is hij “gewoon” weer aanwezig om in zijn hok te liggen.
En ikzelf? Ach als we eens geen keeper hebben, dan doe ik ’t wel.

Joop van Dijk