Nieuwsbulletin


Vrijwilligers in de sport: Aansprakelijkheid en verzekering


(uit: de Beursbengel (assurantiemagazine) – september 2002)

Is de begeleider van een jeugdelftal aansprakelijk als er wat gebeurt? Op weg naar de wedstrijd of tijdens de wedstrijd? En op welke verzekering is die aansprakelijkheid gedekt? Kan hij voldoen de vertrouwen op zijn eigen AVP of moet hij terecht bij de aansprakelijkheidsverzekering van de vereniging?

Elders in deze Beursbengel kunt u lezen hoe het zit met de aansprakelijkheid van deelnemers aan de sport onderling. Maar bij sport zijn veel meer mensen betrokken dan alleen de deel nemers zelf. Er zijn jeugdleiders nodig, clubbestuurders, scheidsrechters en trainers. Voor sommigen is dat een betaalde baan, maar dat is toch de uitzondering. De sport draait bij de gratie van vrijwilligers. Zonder de hulp van vrijwilligers zou de sportbeoefening in ons land nagenoeg - misschien wel geheel - stil komen te liggen. In welke gevallen zijn die vrijwilligers nu aansprakelijk als er onder hun leiding of door hun leiding wat mis gaat? En bij welke verzekering kunnen zij dan terecht?

De aansprakelijkheid
Veel jeugd(bege)leiders en trainers hebben de illusie, dat als er wat gebeurt met de jeugd onder hun leiding, dat zij dan altijd verantwoordelijk zijn. Prettige bijkomstigheid is dat die illusie het verantwoordelijkheidsgedrag van deze vrijwilligers stimuleert, maar als zodanig is die gedachte verder onjuist. Voor de aansprakelijkheid van vrijwilligers gelden de normale aansprakelijkheidsregels. Dat betekent dat er sprake moet zijn van een onrechtmatige gedraging om tot aansprakelijkheid te komen. Het simpele feit dat er iets gebeurt, is niet voldoende. Van belang zijn de omstandigheden waaronder iets gebeurt. Heeft de vrijwilliger in de gegeven situatie zorgvuldig genoeg gehandeld? Was er sprake van een gevaarlijke situatie? Hoe ervaren waren de deelnemers?

Voorbeeld 1
Bij atletiekvereniging De Discus worden de hoogspring trainingen gegeven door de moeder van een van de jeugdleden, die zelf ook vele jaren aan atletiek - waaronder hoogspringen heeft gedaan. Er moet door een groep kinderen van een jaar of tien over een touw worden gesprongen, dat op een hoogte van één meter hangt. Daarachter liggen matten. Op enig moment komt een van de kinderen die over het touw is gesprongen ongelukkig terecht en breekt een arm.

Is de trainster daarvoor aansprakelijk?

Dat lijkt in deze situatie niet zo waarschijnlijk als er sprake was van een normale training. De trainster weet natuurlijk dat hoogspringen geen ongevaarlijke sport is, zeker bij - zoals hier - onervaren deelnemers. Bij hoogspringen wordt op drie elementen getraind: de aanloop, de afzet en de val. Daarbij zit het risico niet in de aanloop en de afzet, maar in de val. Je moet ‘leren’ vallen. Van de trainster mag verwacht worden dat zij daar oog voor heeft en daar de goede aanwijzingen voor geeft. Maar dat sluit niet uit, dat het een keer mis gaat. Dat zijn nu eenmaal de risico’s van de sport. De trainster zou echter wel aansprakelijk zijn als de situatie onverantwoord was, maar zij niet heeft ingegrepen. Kinderen van die leeftijd kunnen soms bewust pogingen doen om op te vallen, Als het betreffende kind bijvoorbeeld bij de vorige sprongen al steeds ‘gekker’ was gaan vallen, dan had de trainster moeten ingrijpen. In een groep (niet alleen bij kinderen) kan het ook gebeuren dat de een probeert de ander te overtreffen met stoer of mallotig gedrag. Als er al een aantal pogingen waren gedaan om nog ‘leuker’ te vallen dan de vorige keer, geldt hetzelfde. Van de trainster mag dan verwacht worden dat zij ingrijpt. Helpt een waarschuwing niet, dan moet zij die kinderen maar uitsluiten van die training. De trainster is zeker aansprakelijk als zij de gevaarlijke situatie juist heeft gestimuleerd. Als de trainster pogingen deed om deze kinderen de Fosbory-flop te leren, dan durf ik de aansprakelijkheid wel aan te nemen. (De Fosbory-flop is een sprong waarbij je ruggelings over het touw springt en dus de kans dat je op je schouders of hoofd landt groot.) Met jonge en met onervaren deelnemers is dat volstrekt onverantwoord en dus onrechtmatig. Als het bestuur van een vereniging dat zou weten en niet zou ingrijpen (trainster waarschuwen, op non-actief stellen) zie ik ook wel aansprakelijkheid aan de zijde van de vereniging.

Voorbeeld 2
Bij turnvereniging Het Zwaantje wordt geoefend op de afsprong van de brug met ongelijke leggers. De bedoeling is dat de deelnemers, meisjes van een jaar of veertien, na een zwaai aan de hoge legger een salto maken en vervolgens met beide voeten naast elkaar op de mat landen en meteen stil staan. Een van de deelnemers laat te vroeg los, landt voordat de salto is voltooid en loopt letsel op.

Is de trainer aansprakelijk?

Ook hier geldt de vraag of de trainer heeft gehandeld zoals je van een trainer mag verwachten. Nog veel meer dan bij hoogspringen is hier sprake van een gevaarlijke oefening. De deelnemers zelf weten dat ook. Het feit dat er iets mis gaat, is niet voldoende om aansprakelijkheid van een trainer aan te nemen: door actief deel te nemen aan deze gevaarlijke oefening loopt de deelnemer risico. In beginsel moet dat risico aan de deelnemer zelf worden toegerekend. Maar ook: juist omdat er sprake is van een gevaarlijke oefening mag van de trainer worden verwacht dat hij zijn handelen daarop afstemt. In deze situatie: de trainer moet dicht in de buurt staan van de plaats waar de landing moet plaats vinden, zodat hij - als dat nodig is - de deelnemer kan opvangen. Als de trainer dat doet of in ieder geval probeert, maar desondanks gaat het mis, dan is hij naar mijn mening niet aansprakelijk. Als daarentegen de trainer aan de andere kant van de zaal een praatje staat te maken en de oefening toch gewoon laat doorgaan, denk ik daar anders over. Dat beschouw ik als onrechtmatig gedrag van de trainer.

Voorbeeld 3
Voor de jeugdleden van voetbalvereniging VIC wordt in de zomer een trainingskamp van een week georganiseerd. Er gaan ook een paar elftalbegeleiders mee, waaronder Piet Selig. Een van de activiteiten tijdens het trainingskamp is een balkgevecht: een wedstrijd waarbij steeds twee deelnemers met het gezicht naar elkaar toe op een balk zitten en met een kussen proberen elkaar het evenwicht te laten verliezen. Piet begeleidt dit spel. Tijdens het spel breekt een van de deelnemers zijn pols.

Is Piet aansprakelijk?

Ervan uitgaande dat er geen bijzondere omstandigheden zijn, die het spel gevaarlijker maken dan het normaal gesproken is, is Piet niet aansprakelijk. Hoewel het spel niets met voetbal te maken heeft, is het een heel normaal spel tijdens een sportdag of een jeugdkamp. Natuurlijk is er enig risico aan verbonden, maar dat is niet dermate groot dat alleen al daar om onrechtmatigheid moet worden aangenomen. Er zijn overigens wel omstandigheden te bedenken waaronder dat anders zou zijn. Als de deelnemers elkaar met een honkbal knuppel van de balk zouden moeten slaan of als de balk op een hoogte van twee meter zou hangen, zou Piet wel aansprakelijk zijn: het spel zelf zou dan zo gevaarlijk zijn dat het organiseren als een onrechtmatige daad moet worden gezien.

De genoemde voorbeelden tonen aan dat de aansprakelijkheid van de jeugdleider en trainer geen vanzelfsprekendheid is. Hetzelfde geldt natuurlijk voor overige sportvrijwilligers. In alle situaties waarbij groepen (kinderen, jeugd of anderen) betrokken zijn, kan iets gebeuren. Van sportvrijwilligers mag, afhankelijk van hun taak, redelijke oplettendheid en zorg worden verwacht. Als zij dat doen, dan zal niet snel van aansprakelijkheid kunnen worden gesproken. Daar komt bij dat aan vrijwilligers sowieso niet dezelfde (hoge) eisen mogen worden gesteld als aan beroepskrachten. Dat geldt niet alleen bij sportvrijwilligers, maar ook bij andere onbetaalde hulpverlening (vriendendiensten e.d.).

De aansprakelijkheid van de vereniging
Als een sportvrijwilliger aansprakelijk is: is de vereniging dat dan ook? Kan de benadeelde alleen de sportvrijwilliger aan spreken of heeft hij ook een claim op de vereniging? In beginsel is de vereniging in een dergelijke situatie niet aansprakelijk: een wettelijke basis daarvoor ontbreekt. De aansprakelijkheid van een werkgever voor de gedragingen van een werknemer (ondergeschikte) is nadrukkelijk in de Wet vastgelegd. Een soortgelijke regeling ontbreekt voor de verhouding vereniging -vrijwilligers. Kenmerkend voor vrijwilligers is ook dat er geen ondergeschiktheids verhouding is: de vrijwilliger ‘moet’ niets. Voor de goede orde: voor de betaalde krachten van een vereniging (de betaalde trainer, ook als het een bijbaan van de plaatselijke gymnastiekleraar is) ligt dat meteen anders. Dan is er wel een ondergeschiktheids verhouding. De vereniging is dus niet aansprakelijk omdat een sportvrijwilliger dat is. De vraag of de vereniging toch aansprakelijk is, moet alleen beantwoord worden op basis van de eigen gedragingen van de vereniging. Denk bijvoorbeeld aan de eerder genoemde situatie dat een vereniging weet en toelaat dat er extreem gevaarlijke oefeningen worden gedaan.

De verzekeringsdekking
Als een sportvrijwilliger nu toch aansprakelijk is: onder welke aansprakelijkheidsverzekering is dat dan gedekt? Kan hij vertrouwen op zijn eigen AVP of moet hij er op vertrouwen dat de vereniging een verzekering heeft gesloten waarop zijn aansprakelijkheid is gedekt? In het algemeen geldt dat de eigen AVP volstaat. De meeste hoedanigheids omschrijvingen op een AVP geven aan dat gedekt is ‘de aansprakelijkheid van verzekerde in de hoedanigheid als particulier’ en dat is uitgesloten onder meer ‘de aansprakelijkheid verband houdende met het uitoefenen van een (neven)bedrijf of (neven)beroep’. Een sportvrijwilliger is bezig met zijn hobby en handelt dus als particulier. Dat betekent dat hij dekking heeft onder zijn AVP, zolang hij niet voor zijn verenigingsactiviteiten betaald krijgt. (Een jeugdtrainer die wel betaald wordt, heeft dus geen dekking onder zijn AVP.) In de meeste gevallen zal door de vereniging ook een aansprakelijkheidsverzekering zijn gesloten, die de aansprakelijkheid van de vereniging, de bestuursleden, de vrijwilligers en de leden dekt. Die dekking voor de aansprakelijkheid van de vrijwilligers is voor de vereniging toch van belang, ook al is zij niet aansprakelijk voor de schade waarvoor een vrijwilliger aansprakelijk is. Een vereniging zal graag willen dat als een vrijwilliger (of bestuurder of een van de leden) ergens aansprakelijk voor is, die schade ook kan worden betaald als achteraf blijkt dat de aansprakelijke zelf geen AVP heeft gesloten.

Welke verzekering gaat voor?
Als een sportvrijwilliger aansprakelijk is, zijn er dus meestal twee aansprakelijkheidsverzekeringen die dekking bieden. Welke van die twee verzekeringen voor gaat, wordt bepaald door de normale samenloopregels. Dat betekent dat als beide polissen daar niets over regelen de wettelijke regeling van toepassing is. Vooruitlopend op het nieuwe verzekeringsrecht heeft de Hoge Raad al een aantal jaren terug bepaald dat het chronologisch beginsel (art. 277 WvK: de oudste polis gaat voor) niet op aansprakelijkheidsverzekeringen van toepassing is. In plaats daarvan zijn beide verzekeraars gehouden bij te dragen ponds-pondsgewijs op basis van de verzekerde som. Maar die wettelijke regeling kan opzij worden gezet door een in de polis vastgelegde non-contributionclausule. Een AVP bevat een dergelijke regeling in het algemeen niet. Als de aansprakelijkheidsverzekering van de vereniging een dergelijke bepaling wel bevat, dan gaat de AVP voor. De benadeel de heeft daar overigens geen last van: de eerst aangesproken verzekeraar moet de schade betalen als die onder de afgegeven verzekering gedekt is.

Conclusie
Sportvrijwilligers zijn natuurlijk aansprakelijk voor de schade die zij zelf veroorzaken, maar zij moeten het wel heel bont maken, willen zij aansprakelijk zijn, voor iets wat onder hun leiding mis gaat. Maar als dat toch gebeurt, hebben zij normaal dekking onder hun AVP en meestal ook onder een door de vereniging gesloten aansprakelijkheidsverzekering. Wordt de sportvrijwilliger betaald, dan moet in het algemeen eerder aansprakelijkheid worden aangenomen, terwijl de dekking onder de AVP ontbreekt (maar niet de dekking onder de aansprakelijkheidsverzekering van de vereniging.)

Mr. I. van Velzen
De auteur is werkzaam bij N1BE-SW en voorzitter van de redactieraad van De Beursbengel.